Ki­lo­gramm in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈkɪ·lɔˌɡɾam/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ki·lo·gramm
Pluralis: Kilogramm m de Ki­lo­gramm
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
1.000 Gramm
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Ik weeg 80 Kilogramm.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kilo + Gramm