An­snal­ler in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈanˌsna·lɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: An·snal·ler
Plural: An­snal­lers m de An­snal­ler
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ansnallen + -er