Elv­butt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛlfˌbʊt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Elv·butt
Plural: Elv­bütt m de Elv­butt
[1]
perifere woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
bot
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Elv + Butt