Ma­rie­ner in het Nedersaksisch

Uitspraak: /maˈɾiː·nɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ma·rie·ner
Plural: Ma­rie­ners m de Ma­rie­ner
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Marien + -er