Tuun­jä­cker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtuːnˌʒɛ·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Tuun·jä·cker
Plural: Tuun­jä­ckers m de Tuun­jä­cker
[1]
perifere woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Tuun + jäckern