Kraan­bal­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɾɔːnˌbalkn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kraan·bal·ken
Plural: Kraan­bal­kens m de Kraan­bal­ken
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kraan + Balken