Hand­bütt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhantˌbʏt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hand·bütt
Plural: Hand­büt­ten f de Hand­bütt
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hand + Bütt