quals­te­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkvals·tə·ɾɪç/ 🔊︎
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: quals·te·rig
qualsteriger qualsterigst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
sliemig (von’n Sliem in’n Hals)
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Qualster + -ig