in in het Nedersaksisch

[1]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
binnen dat Objekt
Nederlands:
=
in
Engels:
=
in
Duits:
=
in
Examples:
[1] Ik bün in dat Huus.
[2]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
na binnen dat Objekt
Nederlands:
=
in
Engels:
Duits:
=
in
Examples:
[1] Ik gah in dat Huus.
[3]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
in en Tiedruum
Examples: