in in het Nedersaksisch

Identieke woorden ››› in ❔︎
[1]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
in
Engels:
in
Duits:
in
Voorbeelden:
Ik bün in dat Huus.
[2]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
in
Engels:
Duits:
in
Voorbeelden:
Ik gah in dat Huus.
[3]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
in
Engels:
in
Duits:
in
Voorbeelden:
[4]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
in
Engels:
in
Duits:
in
Antoniemen:
vör