Witt­rock in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɪtˌɾɔk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Witt·rock
Plural: Witt­röck m de Witt­rock
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: witt + Rock