Dweer­wind in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdvɛː͡ɐˌvɪnt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dweer·wind
Plural: Dweer­winn m de Dweer­wind
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: dweer + Wind