be­sne­den in het Nedersaksisch

Uitspraak: /bəˈsnɛːdn̩/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: be·sne·den
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Ik bün besneden.

Etymologie:

Woord afleidt van: besnieden