Pe­nis in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɛ·nis/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pe·nis
Plural: Pe­ni­s­se m de Pe­nis
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Geslechtsdeel bi’n Mann
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples: