Slün­gel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈslʏn·ɡəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Slün·gel
Plural: Slün­gels m de Slün­gel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Donichgood
Duits: