Gal­len­dag in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡaln̩ˌdaç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Gal·len·dag
m de Gal­len­dag
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
16. Oktober

Etymologie:

Woord afleidt van: Dag