Dag in het Nedersaksisch

Pluralis: Daag m de Dag
[1]
basiswoordenschat
Nederlands:
dag
Engels:
day
Duits:
Tag
[2]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
dag
Engels:
day
Duits:
Tag
Voorbeelden:
[3]
basiswoordenschat
Nederlands:
dag
Engels:
day
Duits:
Tag
Voorbeelden: