A­ven­bank in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔːm̩ˌbank/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: A·ven·bank
Plural: A­ven­bänk f de A­ven­bank
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Aven + Bank