Ach­ter­deck in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈax·tɐˌdɛk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ach·ter·deck
Plural: Ach­ter­de­cks n dat Ach­ter­deck
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: achter + Deck