Ha­senslaap in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔːzn̩ˌslɔːp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ha·sen·slaap
m de Ha­senslaap
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Haas + Slaap