E­schen­holt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛʃn̩ˌhɔlt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: E·schen·holt
n dat E­schen­holt
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Esch + Holt