Goos­bra­den in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɔu̯zˌbɾɔːdn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Goos·bra·den
Plural: Goos­bra­dens m de Goos­bra­den
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Goos + Braden