Ha­sen­bra­den in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔːzn̩ˌbɾɔːdn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ha·sen·bra·den
Plural: Ha­sen­bra­dens m de Ha­sen­bra­den
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Haas + Braden