rap­pe­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾa·pə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: rap·pe·lig
rappeliger rappeligst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Rappel + -ig