sla­ckern in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsla·kɐn/
werkwoord
Afbreking: sla·ckern
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Werkwoordvormen:

infinitief:
sla­ckern
voltooid deelwoord:
sla­ckert
dat
tegenwoordig:
dat sla­ckert
verleden:
dat sla­cker
voltooid:
dat hett sla­ckert
conjunctief:
dat sla­cker