Tee­le­pel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɛːˌlɛː·pəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Tee·le·pel
Plural: Tee­le­pels m de Tee­le­pel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Tee + Lepel