Le­pel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlɛː·pəl/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Le·pel
Plural: Le­pels m de Le­pel
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Branork, CC-BY-SA-3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nederlands:
=
lepel
Engels:
Duits: