ba­ck­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbakʃ/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ba·cksch
backscher backschst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: backen + -sch