Wa­gen­rung in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɔːɡn̩ˌɾʊnk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wa·gen·rung
Plural: Wa­gen­run­gen f de Wa­gen­rung

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Wagen + Rung