san­ge­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsan·ɡə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: san·ge·rig
sangeriger sangerigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: sangern + -ig