ver­wach­ten in het Nedersaksisch

Uitspraak: /fəɾˈvaxtn̩/
werkwoord
Afbreking: ver·wach·ten
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Werkwoordvormen:

infinitief:
ver­wach­ten
voltooid deelwoord:
ver­wacht
ik
du
he/se/dat
wi
ji
se
tegenwoordig:
ik ver­wacht
du ver­wachtst
he/se/dat ver­wacht
wi ver­wacht
ji ver­wacht
se ver­wacht
verleden:
ik ver­wacht
du ver­wachtst
he/se/dat ver­wacht
wi ver­wach­ten
ji ver­wach­ten
se ver­wach­ten
voltooid:
ik heff ver­wacht
du hest ver­wacht
he/se/dat hett ver­wacht
wi hebbt ver­wacht
ji hebbt ver­wacht
se hebbt ver­wacht
conjunctief:
ik ver­wacht
du ver­wachtst
he/se/dat ver­wacht
wi ver­wach­ten
ji ver­wach­ten
se ver­wach­ten
imperatief:
ver­wacht!
ver­wacht!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ver- + wachten