Ban­gig­keit in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈba·ŋɪç·kaɪ̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ban·gig·keit
Niet gebruikt het pluralis f de Ban­gig­keit
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: bang + -ig + -keit