wo in het Nedersaksisch

[1]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
hoe
Engels:
how
Duits:
wie
Voorbeelden:
Wo geiht di dat?
[2]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
wo
Voorbeelden:
Wo is he afbleven?
[3]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
hoe
Engels:
the
in the morethe
Duits:
je
in jedesto bzw. jeumso
Voorbeelden:
[4]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
hoe
Engels:
how
Duits:
wie
Voorbeelden: