Te­gen­slag in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈtɛːɡn̩ˌslaç/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Te·gen·slag
Plural: Te­gen­slääg m de Te­gen­slag
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: tegen + Slag + tegen + Slag