Hi­ck­hack in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɪ·k·hak/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hi·ck·hack
Niet gebruikt het pluralis m de Hi­ck­hack
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: hickhacken