Drö­gens in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɾøː·ɡəns/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Drö·gens
Niet gebruikt het pluralis f de Drö­gens
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: dröög