Kann­rick in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkanˌɾɪk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kann·rick
Plural: Kann­ri­cken n dat Kann­rick
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kann + Rick