Piep­wust in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpiːpˌvʊst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Piep·wust
Plural: Piep­wüst f de Piep­wust
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: Wust