Treck­saag in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɾɛkˌzɔːˑç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Treck·saag
Plural: Treck­sa­gen f de Treck­saag
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: trecken + Saag