Smug­ge­lee in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsmʊ·ɡə·lɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Smug·ge·lee
f de Smug­ge­lee
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Smuggel + -ee