gra­dig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɾɔː·dɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: gra·dig
gradiger gradigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Graat + -ig