Ha­ver­buck in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔː·vɐˌbʊk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ha·ver·buck
Plural: Ha­ver­bück m de Ha­ver­buck
[1]
perifere woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
naam van en biologische species
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Haver + Buck