Kab­be­lee in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈka·bə·lɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kab·be·lee
Plural: Kab­be­le­en f de Kab­be­lee
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: kabbeln + -ee