ked­de­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɛ·də·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ked·de·lig
keddeliger keddeligst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: keddeln + -ig