Na­ma­kels in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈnɔːˌmɔː·kəls/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Na·ma·kels
Plural: Na­ma­kels n dat Na­ma­kels
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: namaken + -els