pus­se­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpʊ·sə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: pus·se·lig
pusseliger pusseligst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: pusseln + -ig