lang­saam in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlaŋ·zɔːm/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: lang·saam
langsamer langsaamst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
drömelig, suutje, teemlich lütt Tempo
Engels:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: lang + -saam