Bes­sen­ries in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɛsn̩ˌɾiːz/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bes·sen·ries
Plural: Bes­sen­rie­sen m de Bes­sen­ries
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Bessen + Ries