Ge­dööns in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌdøːy̯ns/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·dööns
Niet gebruikt het pluralis n dat Ge­dööns
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: ge-