Tan­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtan·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Tan·ker
Plural: Tan­kers m de Tan­ker
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: tanken + -er