dootgoot in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɔu̯tˌɡɔu̯t/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: doot·goot
geen trappen van vergelijking
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
so goodmödig, dat dat nich mehr klook is

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: doot + goot